Categorie archief: verhalen

De wachtkamer

Er is een kamer in de hemel waar ze moeten wachten totdat ze naar de aarde gaan. Iedere keer komt er een nieuwe lichting die gespannen wacht op wat komen gaat. Het lijkt alsof er nooit een eind zal komen aan de stoet die voor de keuze wordt gesteld. Toch, eens komt de tijd dat deze kamer leeg zal zijn en er niemand meer naar de aarde gaat. Kort na dit moment zal de grote dag komen waarin onze keuzes bevestigd worden.
We hebben een briefing gehad waarin besproken is wat de doelen en de moeilijkheden zijn die er op aarde zijn. Er is ons verteld dat, hoe eenvoudig het van hierboven ook lijkt, op aarde het doel van het leven al snel naar de achtergrond zal verdwijnen. Door alle leuke maar ook nare dingen die daar zijn. Ik kan me er niets bij voorstellen…
De sfeer in de ”wachtkamer” is licht gespannen, optimistisch, nee eerder euforisch, want iedereen is vol goede moed. Op aarde zullen we een lichaam krijgen en daar de keuze moeten maken in het korte jachtige leven dat we er zullen leiden. De keuze om voor altijd met Hem te leven of voor altijd zonder Hem te zijn. Ik ga er van uit dat er maar één uitkomst mogelijk is. Als ik hier terugkom zal het niet anders zijn dan nu. Ik wil bij Hem zijn, niets of niemand die mij op andere gedachten kan brengen. Bij anderen misschien wel, maar dit is mijn hart en ik weet welke liefde er in brand. Niets ter wereld, noch in de hemel zal daar verandering in kunnen brengen!

Dan is het mijn beurt en ik kom ter wereld op een zondagochtend om half tien plaatselijke tijd. De man in een witte jas blijkt niet mijn vader te zijn, maar de huisarts. Alles wat ik wist blijkt verdwenen te zijn en ik kan van voorafaan beginnen… Op dat moment kon ik alleen mijn keel opzetten als het me niet zinde. Het lijkt te werken; hard blèren en ik krijg aandacht. Man wat voel ik me beperkt en onbegrepen! En dat gevoel is nooit meer verdwenen…

zomaar een verhaal zoals ik dat met Sam kan hebben

”Zie je dat groepje bomen daar in de verte staan op de akker, jongen?”
”Ja papa, wat is er mee?”
”Tussen die bomen staat een bunker en in die bomen houdt een uil de wacht. Hij zit daar al heel lang. Mijn opa, dus jouw overgrootvader vertelde vroeger al dat er daar een uil huisde. Of het nog steeds dezelfde is als vroeger, wie zal het zeggen…?”
”Is die bunker door de duitsers gebouwd?”
”Nee jongen, die is door de nederlanders gebouwd ergens ver voor de tweede wereldoorlog. Al snel zijn er toen ook wat bomen omheen gepoot en toen die wat groter waren geworden is die verrekte uil er gaan wonen. In de oorlog is het een tijd een doorgangsplek geweest voor ‘reizigers’…”
Wat voor reizigers papa?
”Nou, mensen die liever uit handen van de duitsers bleven. Die bunker is onderdeel van de Hollandse Waterlinie en die is pas in de winter van ”44 door de duitsers gebruikt. In de eerste jaren van de oorlog hadden ze niets aan die bunker midden op de akker. Geen mens die daar onderduikers zou verwachten, dus de plek bij uitstek om je voor de duitsers schuil te houden. Als die onderduikers zich stil hielden dan bleef de uil in de boom zitten en hield de wacht. Je hoefde alleen de uil in de gaten te houden om te zien of er onraad was. Iets wat aan alle onderduikers die er op doorreis gebruik van maakten verteld werd”.
”Een stille getuige midden op de akker, maar voor hoe lang nog? Kijk de nieuwbouw komt steeds dichter bij. Nog een jaar of 5 en dan rammen de heistellingen hier de palen de grond in. Huizen zullen als paddestoelen de grond uit schieten, auto’s zullen over de straten rijden en kinderen in de bomen rondom de bunker spelen…”
“En de Uil dan?”
”Die zal ontheemd raken…, niemand die nog rekening zal houden met al die dagen dat hij zwijgzaam in weer en wind op de uitkijk heeft gezeten.”
“Het zou verboden moeten worden papa!”
”Ja jongen het is niet eerlijk… ”
”Vond je het een mooi verhaal?”
”Is het niet waar dan?”
”Tuurlijk…. niet!”

Brief aan God (deel 2)

Het werd weer eens tijd voor een verhaal…

Eef had haar leven lang in de verzorging gewerkt. Haar leven had in dienst van de hulpbehoevende medemens gestaan. Ze had nooit ergens anders tijd voor genomen, zelfs niet om te trouwen en haar eigen gezin te starten. Ze kende veel mensen, maar had eigenlijk geen echte vrienden, ook dat kwam op de tweede plaats. Toen werd ze ziek, dusdanig ziek dat ze arbeidsongeschikt verklaard werd. Tegen die tijd had ze kennis gemaakt met het enorme gat waarin ze gevallen was. Ze had geen doel meer met het wegvallen van haar baan. Ze zocht actief naar nieuwe vriendschappen en doelen in haar leven, maar het mocht niet baten en langzaamaan zakte ze steeds verder in de duistere diepten van de depressie.

Eef was eenzaam, Eef bleef eenzaam en nu stond ze op de laatste trein te wachten. Nee, niet op het perron, maar gewoon ergens langs de lijn. Hij zou niet stoppen dat wist ze ook wel. Toch is ze vastbesloten om in te stappen, want deze trein zal haar op de plek brengen waar ze wezen moet. Daar zal ze vragen wat er met haar brief gedaan is. De brief die ze twee jaar geleden aan God gestuurd had, waarin ze haar ellende had uitgeschreeuwd.
Ze had op de envelop geschreven: aan God, Hoogste troon, 7e Hemel. Aan het loket van het postkantoor had ze gevraagd wat de duurste portokosten waren voor het buitenland en dat bedrag verdubbeld aan postzegels op de envelop geplakt. De medewerker achter de balie had zwijgend naar de envelop gestaard. Ze had de brief zelf in de brievenbus gestopt in overige bestemmingen, want de Hemel was ver weg. Nooit had ze antwoord gehad op de brief, zelfs geen bevestiging dat de brief was aangekomen. Misschien was de postbode wel door de bliksem getroffen?
Ach natuurlijk wist ze ook wel dat het niet werkte. Eigenlijk hoopte ze dat iemand haar brief zou lezen en zo vrij was te reageren. Al was het maar een kaartje…

Eef werd langs het spoor gevonden aan stukken gereten door de intercity. Men vond ook een met bloedvlekken besmeurde envelop waarop stond: aan God. Eef had haar laatste trein genomen en kwam aan op het eindstation.

Daar staat ze dan voor de grote witte troon, ze laat haar brief zenuwachtig in haar hand ronddraaien. Ze weet niet meer wat ze zeggen moet en Hij die op de troon zit kijkt haar aan zonder iets te zeggen. Uiteindelijk vraagt Hij haar of Hij de brief mag zien. Ze geeft Hem de brief en wacht met neergeslagen ogen af. Met haar vingers frunnikt ze wat aan haar jas.
“Eef, is dit dezelfde brief die je Me eerder stuurde?”
“Ja, meneer… eh God..” stamelt ze. Hoe moest je Hem nu eigenlijk aanspreken?
“en je bent helemaal hier gekomen om Mij te vragen wat Ik met je eerste brief gedaan heb?”
“eh…. ja. Dat is wel een beetje dom he?”
Hij staat op van de troon en loopt naar haar toe. Hij slaat een arm om haar schouder en loodst Eef weg van de troon. Voor haar in de vloer ziet ze allerlei beelden voorbij komen alsof ze naar een film kijkt maar dan zonder geluid.
“Ik zal je laten zien wat Ik met je brief gedaan heb. Ik heb een heleboel dienstknechten op de aarde en in jouw land heb Ik zelfs een postkamer, want Ik krijg veel post. Jouw brief is daar ook terecht gekomen, kijk maar.” In de vloer ziet Eef zichzelf de brief posten. Er komt een auto van TNT aanrijden en de brievenbus wordt geleegd. Even later ziet ze hoe haar brief uitgesorteerd wordt en een nieuw adres krijgt; het adres van de Evangelische Omroep. Haar mond valt open en ze stamelt: “ Is dat werkelijk van U Heer?” “Laten we het daar maar niet over hebben, Eef”, antwoordt Hij zichtbaar verlegen.
“Ik heb het bij TNT kunnen regelen dat al die brieven die in Nederland aan Mij worden geadresseerd, bij de EO terecht komen.” Helaas luisterden de heidenen bij TNT beter naar Mij dan mijn eigen dienaren bij de EO. Bidden doen ze en dat is goed, maar uiteindelijk geven ze de opdracht die Ik aan hun heb gegeven met dezelfde vaart weer aan Mij terug. Ze verwachten van de Baas dat Hij het werk doet wat Hij hen heeft opgedragen.
Ik heb je horen roepen en heb geantwoord, maar je hoorde me niet. Ik heb jouw pijn in mijn hart gevoeld Eef en mijn hart doet nog pijn om al die brieven die op mijn postkamer binnenkomen en niet beantwoordt worden”.
“Had Ik maar mijn postkamer bij het Leger des Heils onder gebracht…!” zuchte Hij hoofdschuddend.

Gelezen in een schoolkrant…. (of zo)

Toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen had ik nog 10 flessen Schotse Whisky. Mijn vrouw raadde mij aan ze in de gootsteen leeg te schenken, omdat ze anders wel eens in de handen van de Duisers zouden kunnen vallen. Ik voelde daar aanvankelijk weinig voor, maar toen zij twee weken lang over dit onderwerp gesproken had, besloot ik eindelijk, zij het met tegenzin, haar raad op te volgen.

Ik ging naar de keuken met de 10 flessen en trok de kurk van de eerste fles af, maar kon er niet toe komen alles weg te gooien. Ik nam een glas, schonk dat vol en dronk het leeg, waarna ik de rest in de gootsteen gooide. Toen nam ik de tweede fles, trok de kurk eraf, schonk een glas vol, dronk het leeg en gooide de rest in de gootsteen. Ik begreep toen al niet meer dat ik eerst zo’n bezwaar tegen deze handeling had gemaakt en met een prettig gevoel nam ik de derde fles ter hand, trok de kurk eraf, dronk een glas zelf op en gooide de rest in de gootsteen.
Vervolgens nam ik de vierde kurk, trok de fles eraf, dronk er een glas zelf op, dat me uitstekend smaakte en gooide de rest in de gootsteen. Toen nam ik de vijfde fles, trok het glas eraf, dronk de kurk op en gooide de rest in de gootsteen. Dit bekwam me zo goed dat ik met een opgewekt gemoed de zesde gootsteen nam, de fles eraf trok, de kurk in het glas gooide en de rest opdronk.
Van de zevende dronk, fleste ik eerst de steen in de gootkurk, trok het glas eraf en nam de rest op. Met een voldaan gevoel gootsteende ik de achtste kurk, dronk de keuken op het glas en trok de rest zelf in de fles. Vervolgens negende ik nog een fles, gootsteende de kurk, gooide een schonk leeg en restte een dronk in het glas.
Toen ik in de laatste keuken kwam, flurkte ik de kes, vonkte ik vol dras, geende de stootgooi en rekte de dos…, waarna mijn vrouw mij de volgende morgen op de bodem van de gootsteen vond met nog de rest van de keuken in mijn glas.

Uitzicht vanaf de heuvel

Hij heeft haar meegenomen naar de top van de heuvel. De heuvel die ze nooit wilde beklimmen, omdat je duizelig wordt van de hoogte. Ze zegt dat ze er niet van houdt als haar voeten te ver van de grond zijn. Hij zegt dat de lucht er zuiverder is en dat ze meer ruimte krijgt om te ademen. Dat het uitzicht zo mooi is en dat ze verder kan kijken dan ze ooit heeft gedaan, over de muren van haar wereld heen. Een uitzicht zo weids, zo groots dat het verlangen meteen in je groeit om verre reizen te gaan maken.
Haar interesse is gewekt. Ze probeert het nog uit haar hoofd te zetten, maar het verlangen naar de wereld buiten de gevangenis waar ze nu in zit, lonkt steeds meer. Het groeit met de dag tot het zo sterk is dat ze met hem de heuvel beklimt, het spel spelend dat ze pas gisteren heeft geleerd. Er zijn geuren en geluiden die ze heel lang niet meer heeft ervaren en hoe hoger ze klimt, hoe meer ruimte en lucht ze krijgt.
Hij staat naast haar op de top en ziet de verwondering in haar ogen. De verwondering over het uitzicht, zo mooi, zo ver, het uitzicht vanaf de heuvel.

Ze wil naar de bergen in de verte en met haar voeten in het water van een beek bungelen. Of daar wat meer naar rechts; de zee! Ja, de zee met het strand en de krijsende meeuwen en de ondergaande zon. “Mooi hè?” vraagt hij. “Als je goed luistert, kun je de zon horen sissen als die in de zee ondergaat”. Hij kijkt ondeugend en er speelt een lach om zijn mond. Ze kijkt hem zwijgend met grote ogen aan.
Wanneer ze zich omdraait ziet ze nog meer bergen. De toppen zijn wit alsof iemand met een enorme slagroomspuit de toppen met slagroom heeft ondergespoten. Voor de bergen ziet ze door de zon beschenen wouden in de mooiste herfstkleuren. Daartussen liggen verspreid kleine boerderijen met hun akkers en dorpjes. Het land wordt door zilveren rivieren doorsneden. Ze ziet kastelen, schaapskudden op de velden en nog veel meer.

Dan kijkt ze naar de voet van de berg, naar de haar vertrouwde wereld. Ze ziet dat het grijs is, omsloten door een hoge muur. Buiten de muur, in de schaduw ervan ziet ze schimmen en gedaanten van gedrochten. Ze dwalen daar rond als wolven in de nacht bij een schaapskooi. Dit is haar wereld, haar leven.
“Hoe ben jij hier binnengekomen?” vraagt ze hem. Ze wil even aan iets anders denken, het contrast is te groot. Ze kan het niet bevatten dat dit allemaal achter haar muur ligt, ze had er geen idee van!
“Gewoon, lopend” antwoordt hij op een plagerige toon. Ik heb geen hinder van de dingen die jou gevangen houden. Voor mij bestaan ze niet, maar voor jou zijn ze echt. Dit is jouw muur van angst die jou gevangen houdt. Het zijn de verschrikkingen in jouw denken die achter die muur ronddwalen.
De glans verdwijnt uit haar ogen, ze buigt haar hoofd en staart naar de grond. Met een klein stemmetje vraagt ze hem om haar met zich mee te nemen. Hij schudt zijn hoofd, “nee, dat gaat niet. Ik krijg je nooit door die muur. Je moet zelf een bres in die muur maken en je zult ook zelf af moeten rekenen met jouw draken die daar achter op je liggen te wachten. Dan zul je vrij komen, vrij om verder te reizen dan je nu hebt kunnen zien”.
“Maar pas op! Hoe lieflijk het er ook uit mag zien, in de bossen leven rovers en wilde dieren. Sommige Kasteelheren en Stadhouders proberen de mensen te onderdrukken en ze het slavenjuk op te leggen. Ze proberen je jouw vrijheid af te nemen met hun zelf bedachte regels en wetten. Gelukkig zijn er ook goede mensen, regelmatig zul je dolers tegenkomen die rechtvaardig zijn”.

Hij heeft niet op haar gewacht, maar is de heuvel afgelopen, door haar muur van angst en haar monsters heen. Verder naar het bos in haar gouden herfsttooi. Ze kijkt hem na tot het zo donker is geworden dat ze hem niet meer kan zien. Hij is haar leven binnen gewandeld en loopt er op dezelfde manier weer uit. Zou er iets voor hem veranderd zijn? Ze heeft er geen antwoordt op, maar ze voelt wel dat het voor haar nooit meer zo zal zijn als dat het was.

Liefde en verraad in Finland (Een sprookjesvakantie)

Finland het land van de duizend meren….. en de miljarden muggen. Het land waar het
‘s zomers niet donker wordt…. en ‘s winters niet licht. Het land van de eeuwige bossen en toendra’s, van Elanden en Rendieren.
In 1997 was ik met een jongerenreis in Finland. De reis werd georganiseerd door Crossroads vakanties, een tak van Youth for Christ en had een duidelijk christelijk karakter, dus niet gemengd de sauna in! We waren met ongeveer 12 personen en hebben twee weken lang veel gewandeld en gevaren. Hoewel we twee boten tot onze beschikking hadden hebben we ook een dag kano’s gehuurd.
De natuurschoon, het heldere water, maar ook een wrak van een houten schip op de oevers van een eiland en de visarend die op de thermiek ronddrijft en zijn schreeuw laat horen. Ze geven je het gevoel op een andere planeet te zijn. De totale stilte in de nachtelijke schemering op het water was ook een aparte beleving. Zo stil dat je alleen het bloed in je oren hoort suizen en dan blijkt een voorbij vliegende mug opeens heel veel herrie te produceren.
De herinneringen aan de sauna zijn me tot op de dag van vandaag bijgebleven. Aan de rand van een groot meer stond een blokhut die als sauna was ingericht. Elke dag maakten we daar gebruik van voor ons reinigingsritueel. Wanneer we een kwartier gestoomd hadden renden we de steiger af en doken het kristal heldere water van het meer in. Een tijdje zwemmen en afkoelen tot de dames naar buiten kwamen en dan gingen de heren voor de tweede ronde. Helemaal geweldig!
Elke dag gingen we er wel op uit en zo zijn we op een dag in Olavinlinna geweest. Een groot kasteel dat in de buurt van de stad Savonlinna ligt. Het kasteel dateert uit de late middeleeuwen en is het best bewaard gebleven kasteel van Noord Europa. In 1475 is men begonnen met de bouw, tien jaar later was het eerste deel klaar. De muren zijn enorm dik en gemaakt van natuursteen. Het kasteel ligt strategisch, want wil men de natuurlijke rijkdommen van het land vervoeren dan moet dat over het water en komt men langs het kasteel. Toen wij het kasteel bezochten, kwamen we een gids tegen die ons de volgende geschiedenis vertelde:
Finland bestaat nog niet zo lang, het is pas twee eeuwen oud, daarvoor was het de ene keer Zweeds de andere keer Russisch. Regelmatig werd er oorlog gevoerd om Finland. De Zweden bouwden het kasteel en tijdens de bouw is het twee keer belegerd door de Russen, maar zij waren toen niet in staat geweest het kasteel in te nemen. Daarna zijn er nog vele oorlogen geweest en uiteindelijk is het kasteel ingenomen door de Russen.
Er zijn nog drie torens over van de vijf die het kasteel oorspronkelijk had. Boven in de torens verbleven tijdens belegeringen de gezinnen van de officieren. Mocht de vijand toch binnen dringen dan konden de vrouwen en kinderen tot het laatst toe verdedigd worden.
Nooit had men kunnen vermoeden dat de dochter van een officier de grootste bedreiging zou vormen.

Tijdens één van de belegeringen door de Russen waren de gezinnen van de officieren zoals gebruikelijk naar de torenkamers gebracht. Zij moesten daar blijven tot het beleg opgeheven werd. De kinderen verveelden zich na verloop van tijd natuurlijk enorm en hadden niet veel anders te doen dan naar buiten te kijken. Één van de dochters van een officier was een jaar of 15, 16 toen ze met haar moeder, broertjes en zusjes in de toren werd opgesloten. Na vele dagen door een raam naar buiten te hebben gekeken, viel één van de Russische soldaten haar steeds meer op. Hij had haar ook gezien en na verloop van tijd kwam hij steeds op dezelfde tijd in de buurt van de toren. Hij was wel zo wijs om net buiten schootafstand te blijven. Het meisje werd heimelijk verliefd op hem en ze fantaseerde de hele dag over hem, ze had tenslotte toch niets anders te doen. In haar dromen nam de soldaat haar mee, weg van de toren en reden ze op zijn paard door de bossen. Hij zou haar meenemen naar zijn hut ver weg aan een meer, waar altijd de zon zou schijnen. Ze zouden samen paardrijden, jagen, vissen en kinderen krijgen en altijd gelukkig zijn. Heel anders dan de situatie waar ze nu in zat. Elke dag duurde een eeuwigheid en ze had voortdurend ruzie met iedereen. Alleen de verschijning van haar prins bood een kleine onderbreking van de saaie sleur van verveling en ruzie.
Na verloop van tijd begon ze naar “haar” soldaat te seinen. Zo kon ze toch een beetje met hem communiceren. Eindelijk iemand die haar zag, die de moeite nam ondanks de gevaren om haar te laten zien dat ze belangrijk was. Hij was haar held! Het verlangen naar hem groeide en langzaam begon het plan in haar vaste vormen aan te nemen om hem bij de poort te ontmoeten.
En zo gebeurde het na verloop van tijd dat ze een afspraak met haar held had gemaakt via seinen. ’s Nachts op de afgesproken tijd, sloop ze de torenkamer uit. Voorzichtig de wacht ontlopend sloop ze naar de poort. Ze maakte de grendels los zonder een geluid te maken en opende voorzichtig de poort. Voor de poort stond haar prins op een groot wit paard….. met achter zich het hele Russische leger! Voor het meisje besefte wat er gebeurde, stormden ze naar binnen onder luid gejoel.
De door het lawaai gewekte Zweedse soldaten hebben de hele nacht hard gevochten tegen de Russen. De lucht was vol geluiden van wapengekletter, geschreeuw en het gekerm van de gewonde en stervenden. Vroeg in de ochtend waren de Russen tot ver buiten de poort teruggedreven. De strijd was beslecht.
Meteen werd er een onderzoek ingesteld hoe de vijand binnen was gekomen. Al snel werd duidelijk wie de dader was van dit verraad. Het meisje werd zonder uitstel binnen de kasteelmuren levend verbrand.

Later groeide op die plaats een boom. In de lente kwam er witte bloesem aan de boom die heerlijk zoet rook. Bloesem die sprak van de maagdelijke onschuld van het meisje. In de herfst was de boom gevuld met bloedrode bessen. Bessen die spraken van haar bloed dat op deze plek gevloeid had.
Toen wij er waren was deze boom allang verdwenen. Er groeit wel een andere boom binnen de muren van het kasteel, maar men is er niet zeker van of die op dezelfde plaats staat als de boom met de witte bloemen en de bloedrode bessen.