Maandelijks archief: september 2009

Verdrinken in Diep Water 2

Na mijn val lig ik in Diep Water. Aan de ene kant rijzen de rotsen meer dan 20 meter stijl omhoog. Zowel links als rechts van de rotsen is er niets anders te zien dan water, onder een wolkeloze hemel. Er is maar één manier om uit diep water te komen en dat is zwemmend de oever zien te halen die tegenover het Leugengebergte ligt.
Mijn krachten verdelend zwem ik rustig maar gestaag richting de oever. De bagage hindert me voortdurend tijdens het zwemmen, maar achterlaten is geen optie. Eenmaal op de oever is alles nodig om te kunnen overleven, zowel de veldflessen als de opgerolde deken, de vuurslag, de dolk, en alle andere spullen. Om wat vrijer te kunnen zwemmen trek ik alle kleren uit en stop die in de rugzak, hang de rugzak weer op mijn rug en zwem weer verder. De uren gaan voorbij, maar de oever lijkt maar niet dichter bij te komen. Langzaam zakt de zon achter de bergen weg, de schaduwen worden langer en dan valt na een korte schemering de duisternis in. Ik weet niet hoe het verder moet, finaal uitgeput, maar geen mogelijkheid om te rusten. De rugzak duwt me naar beneden, ik moet doorzwemmen! Gelukkig staat de maan halfwas aan de nachtelijke hemel en zijn in het schaarse licht de bergen achter me te onderscheiden. Zo kan ik toch mijn richting bepalen en de goede kant op zwemmen.
Het haalt echter niet veel uit. Halverwege de nacht ben ik zo uitgeput dat het steeds meer moeite kost om mijn hoofd boven water te houden. Regelmatig krijg ik water binnen, waardoor ik nog meer verzwak. Ik kan niet meer, het is voorbij. Langzaam glijd ik weg in de diepte. Het water sluit zich boven me. De waterplanten strengelen zich om mijn armen en benen en lijken me vast te willen houden op de bodem. Ik vecht en worstel in wilde paniek, maar het ontbreekt me aan kracht. Toch wil ik leven, ik zal leven! De dood zal niet zegevieren. De rugzak doe ik af en zet me af van de bodem. Mijn longen lijken te exploderen ze hebben verse lucht nodig. Met mijn laatste kracht weet ik de oppervlakte te halen. Verse koele lucht stroomt mijn longen binnen terwijl ik op mijn rug drijf en vrij kan ademen en weer een beetje op bij kan komen.
Plotseling bonkt er iets tegen mijn hoofd, het blijkt een grote boomstam te zijn. De hoop die ik hieruit put geeft me kracht om opnieuw naar de bodem te gaan en de rugzak op te halen. Bij de tweede poging komt de rugzak mee naar boven. Ik hijs me op de stam en hang daarna met mijn laatste krachten de rugzak aan een omhoog staande stomp. Dan klamp ik me vast aan de boomstam en val uitgeput in slaap. Drie weken later spoel ik aan op de oever van diep water. 17 kilo lichter geworden, maar nog steeds in leven. De laatste dagen op de boomstam ben ik me steeds meer zorgen gaan maken om de draak die elke avond hoog in de lucht over vliegt.

De Leugenspiegel 1.

Toen ik van grote afstand op de hinde schoot was de kans klein dat ik haar daadwerkelijk zou treffen. Overtuigd van mijn eigen kunnen, overschatte ik de situatie. Het schot blijkt inderdaad mis te zijn, maar ik geef niet op. Ik volg de hinde het Reuzengebergte in dat in de landen Bedrog en Manipulatie ligt. Geen prettige omgeving om in te verblijven.

De achtervolging duurt al vele weken en ik loop steeds verder op haar in. Op een dag zie ik haar een grot in gaan en volg op korte afstand. In de grot is het donker en moeten mijn ogen eerst even wennen aan het duister. Na even gewacht te hebben zie ik haar voor me dieper de grot in gaan en volg haar. Al spoedig verbreed de grot zich in een grote ruimte. Het dak is hoog en heeft enkele spleten waardoor daglicht in bundels naar binnen valt. Midden in de zaal komen de lichtbundels samen op de grond en op die plaats staat een zwarte lijst.
De hinde loopt naar de lijst en stapt er doorheen, maar aan de andere kant komt ze er niet meer uit! Wanneer haar achterpoten ook de lijst zijn binnengestapt klinkt plotseling het geluid van brekend glas. Ik ren naar de lijst en wil er ook in stappen, maar de toegang is versperd. In de zwarte lijst is een gebroken spiegel. Vanuit het midden lopen tientallen barsten alle kanten op. Hoewel de spiegel stuk is , is de toegang versperd. Hoe hard ik ook schop en sla er is geen beweging in te krijgen.
De spiegel bestaat uit tientallen scherven die toch één geheel vormen. Iedere scherf weerspiegelt een ander stukje van mij, maar het beeld is wazig door de leeftijd van de spiegel en het stof op het glas, al lijkt dat meer aan de binnenkant dan op de buitenkant te zitten. Ik probeer de spiegel schoon te poetsen, en snijd daarbij mijn vingers aan de scherven. Het bloed op de spiegel maakt het beeld nog waziger.
Wanneer ik door de spiegel probeer te kijken, lukt dat niet en zie alleen verschillend facetten van mezelf. Aan de ene kant heel herkenbaar, aan de andere kant ook niet. Alsof er iemand anders afgebeeld wordt. De beelden verwarren me. Ze worden steeds slechter, donkerder, gruwelijker. Tientallen beelden komen mijn hersenen binnen en verminken mijn zelfbeeld. Ze vergiftigen mijn voelen, mijn zijn, mijn denken en handelen.
Dan klinkt haar stem. De spiegel spreekt! Ze klinkt gemeen en bralt halve waarheden en hele leugens. Haar stem geeft uiting aan de haat die in haar is. Totaal uit het veld geslagen blijf ik besluitloos staan en denk; dit kan niet, dit is niet waar, het is een nachtmerrie! De met haat gevulde stem wordt steeds hysterischer terwijl de beelden blijven komen… Het besef in mij groeit dat ik hier aan kapot ga, er moet iets gebeuren. Van de grond raap ik een steen op en gooi die zo hard ik kan tegen de spiegel. Een bliksemflits schiet uit de spiegel en verblind me. Een tijdje lig ik op de grond. Het is stil, geen gegil, geen beschuldigingen, geen hatelijke geluiden meer. Wanneer ik me opricht en naar de spiegel kijk, valt niet te zien waar de steen de spiegel geraakt heeft. Ze ziet er nog net zo uit als daarvoor.
Vertwijfeld sta ik op, raap mijn spullen bij elkaar en loop verslagen naar de uitgang. Buiten de grot gekomen loop ik het smalle pad af richting Diep Water. Eerst sjokkend, maar al spoedig steeds sneller steeds vlugger naar beneden. Het pad maakt een bocht naar links, maar vlak voor de bocht struikel ik over een losse kei. Ik probeer nog overeind te blijven maar het is te laat. De snelheid is te groot en ik stort over de rand richting Diep Water, enkele tientallen meters beneden me.
De landing is hard, het water lijkt wel beton. Het water rondom me is wit van de kleine luchtbelletjes die langzaam omhoog stijgen. Snel sla ik mijn armen uit en zwem naar boven.
Even laat ik me drijven om tot rust te komen, dan begin ik te watertrappelen en draai een paar keer rond in het water, zodat ik de omgeving goed kan opnemen. Het meer is langwerpig, zowel links als rechts van de bergen is geen oever te zien. De berg waar ik van afgestort ben rijst zeker 20 meter loodrecht uit het water. Recht tegenover de bergen is wel land te ontdekken al is het ver weg. Er is niemand te zien die me helpen kan dus zit er niets anders op dan een flink eind te zwemmen. Langzaam begin ik te zwemmen, de spullen die ik bij me heb hinderen me enorm, maar achter laten is geen optie. Straks aan de overkant zijn ze hard nodig; mijn kleren, mes, veldflessen, ehbo spullen, deken, vuurslag en tondeldoos, etc. Nee ze moeten mee!

Daar lig ik dan in Diep Water, niet beseffend dat het nog heel lang zal duren voordat ik weer vaste grond onder mijn voeten zal hebben…

Liefde en verraad in Finland (Een sprookjesvakantie)

Finland het land van de duizend meren….. en de miljarden muggen. Het land waar het
‘s zomers niet donker wordt…. en ‘s winters niet licht. Het land van de eeuwige bossen en toendra’s, van Elanden en Rendieren.
In 1997 was ik met een jongerenreis in Finland. De reis werd georganiseerd door Crossroads vakanties, een tak van Youth for Christ en had een duidelijk christelijk karakter, dus niet gemengd de sauna in! We waren met ongeveer 12 personen en hebben twee weken lang veel gewandeld en gevaren. Hoewel we twee boten tot onze beschikking hadden hebben we ook een dag kano’s gehuurd.
De natuurschoon, het heldere water, maar ook een wrak van een houten schip op de oevers van een eiland en de visarend die op de thermiek ronddrijft en zijn schreeuw laat horen. Ze geven je het gevoel op een andere planeet te zijn. De totale stilte in de nachtelijke schemering op het water was ook een aparte beleving. Zo stil dat je alleen het bloed in je oren hoort suizen en dan blijkt een voorbij vliegende mug opeens heel veel herrie te produceren.
De herinneringen aan de sauna zijn me tot op de dag van vandaag bijgebleven. Aan de rand van een groot meer stond een blokhut die als sauna was ingericht. Elke dag maakten we daar gebruik van voor ons reinigingsritueel. Wanneer we een kwartier gestoomd hadden renden we de steiger af en doken het kristal heldere water van het meer in. Een tijdje zwemmen en afkoelen tot de dames naar buiten kwamen en dan gingen de heren voor de tweede ronde. Helemaal geweldig!
Elke dag gingen we er wel op uit en zo zijn we op een dag in Olavinlinna geweest. Een groot kasteel dat in de buurt van de stad Savonlinna ligt. Het kasteel dateert uit de late middeleeuwen en is het best bewaard gebleven kasteel van Noord Europa. In 1475 is men begonnen met de bouw, tien jaar later was het eerste deel klaar. De muren zijn enorm dik en gemaakt van natuursteen. Het kasteel ligt strategisch, want wil men de natuurlijke rijkdommen van het land vervoeren dan moet dat over het water en komt men langs het kasteel. Toen wij het kasteel bezochten, kwamen we een gids tegen die ons de volgende geschiedenis vertelde:
Finland bestaat nog niet zo lang, het is pas twee eeuwen oud, daarvoor was het de ene keer Zweeds de andere keer Russisch. Regelmatig werd er oorlog gevoerd om Finland. De Zweden bouwden het kasteel en tijdens de bouw is het twee keer belegerd door de Russen, maar zij waren toen niet in staat geweest het kasteel in te nemen. Daarna zijn er nog vele oorlogen geweest en uiteindelijk is het kasteel ingenomen door de Russen.
Er zijn nog drie torens over van de vijf die het kasteel oorspronkelijk had. Boven in de torens verbleven tijdens belegeringen de gezinnen van de officieren. Mocht de vijand toch binnen dringen dan konden de vrouwen en kinderen tot het laatst toe verdedigd worden.
Nooit had men kunnen vermoeden dat de dochter van een officier de grootste bedreiging zou vormen.

Tijdens één van de belegeringen door de Russen waren de gezinnen van de officieren zoals gebruikelijk naar de torenkamers gebracht. Zij moesten daar blijven tot het beleg opgeheven werd. De kinderen verveelden zich na verloop van tijd natuurlijk enorm en hadden niet veel anders te doen dan naar buiten te kijken. Één van de dochters van een officier was een jaar of 15, 16 toen ze met haar moeder, broertjes en zusjes in de toren werd opgesloten. Na vele dagen door een raam naar buiten te hebben gekeken, viel één van de Russische soldaten haar steeds meer op. Hij had haar ook gezien en na verloop van tijd kwam hij steeds op dezelfde tijd in de buurt van de toren. Hij was wel zo wijs om net buiten schootafstand te blijven. Het meisje werd heimelijk verliefd op hem en ze fantaseerde de hele dag over hem, ze had tenslotte toch niets anders te doen. In haar dromen nam de soldaat haar mee, weg van de toren en reden ze op zijn paard door de bossen. Hij zou haar meenemen naar zijn hut ver weg aan een meer, waar altijd de zon zou schijnen. Ze zouden samen paardrijden, jagen, vissen en kinderen krijgen en altijd gelukkig zijn. Heel anders dan de situatie waar ze nu in zat. Elke dag duurde een eeuwigheid en ze had voortdurend ruzie met iedereen. Alleen de verschijning van haar prins bood een kleine onderbreking van de saaie sleur van verveling en ruzie.
Na verloop van tijd begon ze naar “haar” soldaat te seinen. Zo kon ze toch een beetje met hem communiceren. Eindelijk iemand die haar zag, die de moeite nam ondanks de gevaren om haar te laten zien dat ze belangrijk was. Hij was haar held! Het verlangen naar hem groeide en langzaam begon het plan in haar vaste vormen aan te nemen om hem bij de poort te ontmoeten.
En zo gebeurde het na verloop van tijd dat ze een afspraak met haar held had gemaakt via seinen. ’s Nachts op de afgesproken tijd, sloop ze de torenkamer uit. Voorzichtig de wacht ontlopend sloop ze naar de poort. Ze maakte de grendels los zonder een geluid te maken en opende voorzichtig de poort. Voor de poort stond haar prins op een groot wit paard….. met achter zich het hele Russische leger! Voor het meisje besefte wat er gebeurde, stormden ze naar binnen onder luid gejoel.
De door het lawaai gewekte Zweedse soldaten hebben de hele nacht hard gevochten tegen de Russen. De lucht was vol geluiden van wapengekletter, geschreeuw en het gekerm van de gewonde en stervenden. Vroeg in de ochtend waren de Russen tot ver buiten de poort teruggedreven. De strijd was beslecht.
Meteen werd er een onderzoek ingesteld hoe de vijand binnen was gekomen. Al snel werd duidelijk wie de dader was van dit verraad. Het meisje werd zonder uitstel binnen de kasteelmuren levend verbrand.

Later groeide op die plaats een boom. In de lente kwam er witte bloesem aan de boom die heerlijk zoet rook. Bloesem die sprak van de maagdelijke onschuld van het meisje. In de herfst was de boom gevuld met bloedrode bessen. Bessen die spraken van haar bloed dat op deze plek gevloeid had.
Toen wij er waren was deze boom allang verdwenen. Er groeit wel een andere boom binnen de muren van het kasteel, maar men is er niet zeker van of die op dezelfde plaats staat als de boom met de witte bloemen en de bloedrode bessen.

Waar ben ik?

Alles waar hij altijd in geloofd heeft lijkt nu opeens weg te vallen. Het is alsof hij in een enorme leegte is gekomen. Geen geluid, geen beeld, geen prikkels. Hij is alleen met zijn gedachten hoewel dat er weinig zijn.
Het verleden is verdwenen in een grijze dichte mist achter hem. In zijn hoofd klinken de echo’s van vragen…; wie ben je, waar ben je, waar ga je heen? Een groot gevoel van eenzaamheid overvalt hem. In deze leegte, in deze eenzaamheid is hij alleen. Niemand die hem hoort, niemand die hem ziet. Niemand die nog weet van zijn bestaan. Hij is alleen…

Is er iemand die van hem houdt? Zou er iemand zijn die, al was het maar heel even, een arm om hem heen zou willen slaan? Iemand die iets liefs tegen hem zou zeggen, iemand die laat merken dat hij er is? Maar er is niemand. De herinneringen vervagen steeds verder, de leegte wordt steeds duisterder, totdat het helemaal donker is.

Ben ik dood, denkt hij? Hij opent zijn mond om te schreeuwen, maar er is geen geluid alleen de stilte. Hij wil moedeloos gaan zitten en merkt dat er geen bodem is. Misschien ligt hij al of staat hij ondersteboven? Wat is boven of onder, waar is hij? Weer probeert hij te schreeuwen, maar weer is er geen geluid alsof de duistere leegte elk geluid absorbeert. Zijn keel voelt droog, zijn hart gebroken vol angst gaat als een razende tekeer. De angst golft door zijn lichaam en verandert in paniek op het moment dat hij begint te vallen. Nu weet hij waar beneden is…… en valt steeds verder.
Totdat hij wakker wordt van zijn eigen geschreeuw.